Introductiecursus les 4

Les 4: Plaatjes in je hoofd
(Perceptie en projectie)

We vormen de hele dag door ‘plaatjes’ in ons hoofd, oordelen over hoe wij en anderen zijn of horen te zijn.

Mijn leraar Dick Verstegen reageerde ooit op een verhaal van mij met de vraag: Wil je gelijk of wil je geluk?
Vaak denken we dat gelijk hebben – vasthouden aan je oordelen – ook je geluk bepaalt. Niets is minder waar. Het nastreven van gelijkvormigheid wordt al gauw een instituut. Door angst bepaald. En gelijk hebben scheidt ons af van het ervaren van eenheid. Het is een poging de anderen te maken zoals jij denkt dat ze zijn. En dat heeft meer met hebben dan met zijn te maken.

Wij denken vaak dat ons ‘gelijk & geluk’ onze identiteit bepalen. Zonder gelijk geen identiteit; zonder geluk geen identiteit. Dat brengt in ons denken ook vaak de koppeling tot stand dat geluk afhankelijk is van de mate waarin anderen je gelijk erkennen. Maar zo is het niet. Er komt een tijd dat we inzien dat gelijk en geluk alleen iets met elkaar te maken hebben als ideeën van een geprogrammeerd IK aan de ene kant en een leven buiten mij aan de andere kant.

Beide begrippen kun je daarom vooral zien als een uitnodiging los te laten van wat je denkt dat je ‘zelf’ bent, wat ‘jezelf’ bepaalt. Het loslaten van het idee – je programmering- dat de wereld vergaat als je dat ‘zelf’ van je niet in stand kunt houden zoals je dat altijd gewend bent geweest. Dat loslaten is niet gericht op je leven, integendeel. Het gaat juist gepaard met het zonder meer leven van je eigen leven en het dragen van je eigen lijden. Niemand kan dat van je overnemen.

Wees verankerd in het leven zoals het zich voordoet. Gewoon zijn en leven wat het leven is, is aansluiting vinden op het ware zelf, eenheid of het grote zelf, waarvan we allemaal deel uitmaken en waarin je gelijk en je ongelijk, je geluk en je ongeluk volledig zijn verdisconteerd.

Om dat te kunnen ervaren is het belangrijk min of meer in evenwicht te zijn met ‘jezelf’, min of meer ‘gelukkig’ te zijn, omdat een ongelukkig mens vaak te veel met zichzelf (het kleine zelf) bezig is en vaak veel meer moeite heeft los te laten en het ware zelf te vinden.

Zen is niet oordelen. Met liefde aanvaarden wie je zelf bent is een voorwaarde om diep in jezelf door te dringen.
Zen is doorzien hoe je ego voortdurend bezig is zichzelf in stand te houden
terwijl het in feite geen substantie kent.

Rituelen

Na een aantal bijeenkomsten in de zendo, bij de introductiecursus, begint het mensen op te vallen hoeveel rituelen er eigenlijk zijn. En sommigen merken bij zichzelf weerstand daartegen. Daarom is het goed wat dieper in te gaan op de rol en functie van rituelen, binnen zen en daarbuiten aan de hand van de meest voorkomende vragen.

1. Waarom zijn er zo veel rituelen bij een zencursus?

Het lijkt nogal wat: bij binnenkomst een buiging, vaak voor je mat nog een buiging, buiging bij aanvang van de loopmeditatie (kinhin), de theeceremonie met z’n diverse buigingen en vaak bij afsluiting van een bijeenkomst ook nog een buiging. Maar eigenlijk zijn dat er helemaal niet zoveel als je het zou vergelijken met de ‘rituelen’ die jijzelf gedurende een aantal uren uitvoert. Ga bijvoorbeeld maar eens na uit hoeveel handelingen jouw ochtendritueel bestaat (wekker uitzetten, opstaan, naar het toilet, eerste kopje koffie/thee, krantje, douchen, aankleden, etc.). Toch voelt het anders. Waarom? Omdat niet jij ze zelf begonnen bent maar gevraagd wordt om het op deze manier te doen én omdat je ze met volle aandacht doet, en dat maakt het als het ware extra intens.

2. Wat betekenen rituelen in z’n algemeenheid?

Simpel gezegd zijn alle rituelen die in een zendo voorkomen niets anders dan momenten van aandacht. In feite roep je jezelf bij de les als je bij binnenkomst een buiging maakt. Daarrmee zeg je: nu ben ik er helemaal. Ook bij het neerzetten van je theekom nadat je buurman/vrouw dit gedaan hebt, laat je blijken dat je er met je aandacht precies hier en nu bent.

We doen rituelen op een bepaalde manier omdat dit helpt om je concentratie helemaal te kunnen leggen op het uitvoeren ervan, zonder dat je je iedere keer hoeft af te vragen: hoe doe ik het eigenlijk. Vergelijk het met de afspraken die we hebben in het verkeer: bij een rood verkeerslicht stoppen we, bij een groen kunnen we doorrijden. Eigenlijk is dit een rituele handeling!

3. Wat betekenen de afzonderlijke rituelen?

Bij binnenkomst maken we een buiging (gassho) waarbij de handpalmen tegen elkaar aan geplaatst zijn. Symbolisch drukken we daarmee onze dankbaarheid uit dat we allemaal verlichte wezens (boeddha’s) zijn en dat we daarom hier komen oefenen.

In sommige zendo’s is het de gewoonte ook te buigen in de richting van je mat. Daarmee druk je je dankbaarheid uit t.o.v. alles en iedereen van wie je kunt leren (de Dharma). En dan nog te buigen naar het midden van de ruimte om de anderen met wie je oefent (de Sangha) te bedanken.

Het volgende ritueel is eigenlijk de start van de eerste zazen periode: dan wordt er 3x op de bel geslagen. De historische oorsprong van het getal drie schijnt te zijn dat in kloosters de monniken bij het horen van de eerste bel nog snel naar de zendo konden lopen, bij de tweede konden ze dan gaan zitten en bij/na de derde begon het mediteren ‘echt’.

Na afloop van de zazenperiode wordt er 2x op de bel geslagen. Oorspronkelijk gaf de eerste de eindtijd aan en de tweede was het teken om al te gaan staan voor de kinhin. De verschillende rituelen tijdens de theeceremonie geven aan dat de volgende fase (theekom ontvangen, thee ontvangen, thee drinken, kom neerzetten) is aangebroken en maken je opmerkzaam voor het groepsgebeuren en voor het gehele symbolische karakter ervan; van het keren naar binnen met de zazen ben je langzaam maar zeker weer naar buiten gekeerd door middel van de theeceremonie. En daarmee is het een vloeiende overgang naar het leven buiten de zendo waar je vrij snel na het drinken van de thee weer aan deel gaat nemen.

4. Ik merk bij mezelf weerstand op.

Weerstand kent een aantal facetten. Weerstand kan voortkomen uit het feit dat je gevraagd wordt iets te doen terwijl je niet weet waarom. Juist daarom is het goed dat een zenleraar je uitlegt wat de reden is van een bepaald ritueel zodat je de achtergrond kent.

Weerstand kan ook voortkomen uit een associatie met een ander ritueel wat je onprettig vindt. In het Westen staat ‘buigen’ vaak voor ‘buigen voor iets of iemand die hoger/anders/beter of wat dan ook van jezelf is’. Een ritueel is dan niet langer een gewoonte of gebruik (de letterlijke oorspronkelijke betekenis van het Latijnse woord ‘ritus’) maar een dwingend voorschrift. Het buigen vanuit de boeddhistische levensfilosofie heeft veel meer te maken met herkenning in jezelf en met dankbaar zijn voor.

Tenslotte kan weerstand nog te maken hebben met het gevoel dat je geen controle hebt. Er wordt je iets gevraagd, je hebt het niet zelf gekozen en dat voelt niet prettig. Dan is het goed te kijken of je er helemaal kunt zijn, het ritueel kunt uitvoeren, zonder het ‘prettig’ of ‘niet prettig’ te vinden. Kun je het ook gewoon DOEN? Je zou dan kunnen ervaren (na verloop van tijd) dat de schoonheid van het ritueel juist ligt in het doen er van en daarmee in het ontvankelijk worden voor de symboliek er achter en de waarde er van. Je ‘ego’ mag er dan dit of dat van vinden maar los daarvan blijkt er nog een groter bewustzijn te bestaan die het ritueel vooral kan ervaren.